De lente kondigt zich aan.
De voorbije weken gingen we van ijzige vrieskou naar turbulent stormweer, met een woeste Dordogne die gretig haar oevers overschreed. En nu is er plots dat zachte, genereuze lenteweer.
We vergeten al eens het vuur te stoken en eten steeds vaker buiten. Kersenbloesems kleuren het landschap overvloedig roze, terwijl de vogels zich elke ochtend vroeger en luider laten horen.
Kortom: het is lente.
De lente is een periode van transformatie. Alles wordt opnieuw geboren. We hebben de neiging dat wat te romantiseren, maar in wezen gaat het over iets heel concreets: ontwaken.
De natuur ontwaakt. Energie keert terug; overvloedig en rijkelijk. En dat voelen ook wij.
Waar we ons in de herfst en winter makkelijker naar binnen keren — bij een warm vuur, met meer rust en kortere dagen — breekt nu een periode aan van beweging en activiteit.
Het valt ons steeds meer op: hoe langer we hier op het Franse platteland leven, hoe meer we durven meebewegen met het ritme van de natuur die ons omringt.
Herfst en winter staan hier echt voor rust en vertraging, soms zelfs voor een vorm van stilstand. Dat zie je ook letterlijk gebeuren. Niet alleen in de natuur, maar ook bij de mensen. Dorpen lijken stiller, wegen rustiger, deuren vaker gesloten.
Maar zodra de lente zich aandient, verandert alles.
Mensen verschijnen weer op straat. Terrassen vullen zich. Tuinen worden bewerkt. En ook de kleine stadjes openen hun luiken en maken zich klaar voor de jaarlijkse stroom bezoekers.
Kortom: alles en iedereen ontwaakt.
Misschien is dat wel een van de mooiste lessen van het leven hier: dat seizoenen niet alleen iets van de natuur zijn, maar ook van ons. Dat rust en beweging elkaar afwisselen. Dat periodes van stilte nodig zijn om opnieuw te kunnen beginnen.
En dat elke lente ons herinnert aan iets eenvoudigs maar fundamenteels:
dat het leven altijd opnieuw begint.
Blauw Vlindertje
Een vlindertje, een fladderding,
Danst rond in blauw ornaat,
Een parelmoeren siddering,
Het glimt, het blinkt, vergaat.
Zo, in een teder ogenblik
Terwijl ik verderging,
Zag ik het wenkende geluk
Dat glom, dat blonk, verging
Hermann Hesse







