Proefweek bij Het Gedachtegoed – Seminarie VII
Marc De Kesel

Een week over verlangen en daar voorbij, Gods toorn? en een goddelijke frietzak!

Soms moet je iets gewoon een eerste keer doen.

Foto: Margot de Sloover

En zo begon eind augustus de allereerste proefweek van Het Gedachtegoed: ‘Ethisch aan Ethiek doen: een lectuur van J. Lacan, Seminaire VII; l’Ethique de la psychoanalyse’ door Marc De Kesel. Een week waarin we ons huis, tuin, keuken en vooral onszelf een beetje op de proef stelden. Zouden mensen hier graag komen? Zou het lukken om een groep samen te brengen rond een behoorlijk ingewikkeld onderwerp? Zouden ze elkaar vinden? En zouden wij er na een week nog altijd zo enthousiast over zijn?

Op die laatste vraag kunnen we gelukkig volmondig ja antwoorden.

Het werd een onvergetelijke week met interessante ontmoetingen, lange gesprekken aan tafel, veel gelach, goed eten, af en toe een uitstekende fles wijn en dat allemaal onder Le Tilleul. Een groep mensen bereid om zich een week lang samen te verliezen in Jacques Lacans Séminaire VII: L’éthique de la psychanalyse, onder begeleiding van Marc De Kesel.

En verliezen deden we ons.

Van het Goede naar het genot

We begonnen bij Aristoteles en zijn Souverain Bien, het hoogste Goed dat richting geeft aan het menselijk handelen. Met Kant verandert er iets wezenlijks. De morele wet ontleent haar geldigheid niet aan een bepaald goed, aan ons welzijn of aan ons geluk. Ze wordt onvoorwaardelijk: een ‘Tu dois’, waaraan de wil zich onderwerpt.

Lacan benadrukt het radicale karakter daarvan: “Nul Wohl, nul bien — que ce soit le nôtre ou celui de notre prochain — ne doit, comme tel, entrer dans la finalité de l’action morale.” Het goede — zelfs het goede van de ander — mag dus niet zomaar het doel van de morele handeling worden.

Wat gebeurt er wanneer de wet niet alleen bepaalt wat mag en niet mag, maar zich op een merkwaardige manier ook met verlangen en genot begint te verknopen? Daarom brengt Lacan Kant samen met De Sade. Niet als twee uitersten die eenvoudig tegenover elkaar staan, maar omdat hun verhouding tot de wet iets onthult over wat er onder die wet kan schuilgaan.

Ook Paulus komt in beeld. In zijn beroemde passage over het gebod “Gij zult niet begeren” laat Lacan zien hoe nauw wet en verlangen met elkaar verbonden kunnen zijn: het verbod lijkt het verlangen niet alleen te begrenzen, maar het ook wakker te maken. De wet brengt het begeren aan het licht.

En dan zijn we niet meer zo ver verwijderd van jouissance.

Dat is ongeveer het moment waarop je begint te vermoeden dat je tijdens een zomerse week in de Dordogne misschien toch niet gewoon met een gezellige filosofische leesgroep bezig bent.

Een mantel, wat braaksel en ‘Das Ding’

Zo was er de bespreking van Antoon van Dycks Sint-Maarten. We zien Martinus die zijn mantel deelt met een naakte bedelaar. Goed doen, zouden we zeggen. De ander geven wat hij nodig heeft denk je wat vertederd misschien?

Maar Lacan stelt een ongemakkelijke vraag: wat vraagt die ander eigenlijk?

Sint Martinus deelt zijn mantel, 1625
Sir Anthony van Dyck

Misschien vraagt hij niet alleen om een mantel. Misschien valt de menselijke vraag nooit volledig samen met de behoefte die wij denken te kunnen beantwoorden. En precies daar opent zich een andere dimensie: die van verlangen, eros en genot.

Ook een passage, eloquent voorgelezen door Marc uiteraard, uit het leven van Marguerite-Marie Alacoque, bracht ons even van ons stuk. Uit liefde voor Christus overwint de mystica haar afkeer en slikt ze zelfs het braaksel van een zieke in. Wat begint als een daad van religieuze liefde en zelfoverwinning belandt daarmee op een terrein waar afkeer, aantrekking, liefde en genot op een bijna ongemakkelijke manier in elkaar grijpen.

Het Goede blijkt soms minder proper dan we dachten. Of zoals Marc het stelt ‘Niet proper toch hé, man zeg! Niet proper!’

En dan nog Das Ding… Niet een verborgen object dat ergens ligt te wachten tot iemand het eindelijk vindt, maar juist iets wat zich niet laat representeren en waar het verlangen toch steeds opnieuw omheen beweegt.

De anamorfose die Marc ons toonde, maakte dat plots bijna zichtbaar. In een ogenschijnlijk chaotisch beeld verschijnt, via de spiegeling in een cilindervorm, een herkenbare voorstelling. Het beeld is niet zomaar aanwezig: het ontstaat vanuit een bepaalde positie ten opzichte van iets wat zelf niet in beeld komt. Juist dat onzichtbare punt blijkt bepalend voor wat er verschijnt.

Anamorfose van Rubens
Domenico the Elder Piola

Misschien is dat een mooie manier om Das Ding te benaderen: niet als iets dat we achter het beeld kunnen gaan zoeken, maar als datgene wat, hoewel afwezig en niet rechtstreeks voorstelbaar, mee bepaalt hoe het beeld en het verlangen zich organiseren.

En dan is er natuurlijk die beroemde formulering waarmee Lacan zijn zevende Seminarie naar het einde toe brengt: “ne pas céder sur son désir”.

Een zin die ondertussen een eigen leven is gaan leiden. Alsof Lacan ons ergens tussen Kant en De Sade een nieuw moreel gebod heeft nagelaten: gij zult uw verlangen volgen!

Maar zo kennen we Lacan natuurlijk ondertussen wel: zodra we denken dat we er iets van begrepen hebben, wordt het weer ingewikkeld. Het gaat immers niet om een nieuw gebod om ons verlangen te volgen.

En dus komen we bij de ethiek van de psychoanalyse. Niet bij de vraag wat het goede leven is, niet bij de vraag hoe we iemand gelukkig kunnen maken, en ook niet bij de vraag hoe we iemands ‘ware verlangen’ kunnen opsporen. Het gaat om de confrontatie met het verlangen als datgene wat ons niet volledig toebehoort, maar ons wel in beweging brengt. Om onze verhouding tot dat verlangen en op welke manier de vraag/demande van de analysant slechts een intrede kan zijn naar wat daar ver voorbije ligt.

Marc declareert het op een bepaald moment erg streng :

“De mens heeft een vraag en die moet au sérieux genomen worden.”

Dat klinkt misschien eenvoudig, maar het is het allerminst. Een vraag au sérieux nemen betekent niet dat we haar meteen beantwoorden. Het betekent ook niet dat we achter de vraag alvast het verlangen denken te herkennen dat wij voor de ander kunnen benoemen.

Het betekent: luisteren en ruimte creeren zodat mogelijks voorbij die vraag iets anders kan ontstaan maar ook verdragen dat we niet meteen weten waarheen die vraag ons zal brengen. Het gaat over het fundamenteel in vraag stellen van onze eigen ethische positie daarbinnen en onze overtuiging ‘het goede’ te willen doen onder de loep te leggen. Want in de hulpverlening zijn we nogal gewend om te helpen, te verbeteren, te adviseren, te normaliseren — kortom, om het goede te willen doen.

Maar ook daar moeten we voorzichtig worden. Nietzsche had ons al geleerd om achterdochtig te zijn tegenover morele vanzelfsprekendheden: achter ik wil het goede doen kunnen andere verlangens, belangen of vormen van genot schuilgaan. Ook het goede heeft een achterkant.

Lacan formuleert het voor de analyticus nog scherper:

“Nous avons à chaque instant à savoir quel doit être notre rapport effectif avec le désir de bien faire, le désir de guérir. Nous avons à compter avec lui comme avec quelque chose qui est de nature à nous fourvoyer, et, dans bien des cas, instantanément.”

We moeten dus niet alleen kijken naar wat we voor de ander willen, maar ook ons verlangen om het goede te doen ondervragen. Want ook dat verlangen kan ons op een dwaalspoor brengen.

Lacan maakt het ons daarmee bepaald niet gemakkelijk.

En toen begon het te onweren

Gelukkig was er tussen al dat denken door ook nog de natuur.

De zon scheen gul over Het Gedachtegoed. De tuin stond groen en uitbundig te zijn. En dan, zonder veel waarschuwing, schoof de hemel dicht.

Donder rolde over de heuvels. Bliksem schoot in overdadige hoeveelheden door de lucht. De regen kwam met zoveel geweld naar beneden dat we ons even afvroegen of de Dordogne van plan was om ons huis opnieuw te verbouwen.

Drie keer werden we door zwaar onweer overvallen.

Bij een onderwerp als dit begin je dan toch even te twijfelen.

Was dit Gods toorn?

Na Aristoteles, Kant, De Sade, Paulus, verlangen, Das Ding en jouissance zou je bijna denken dat we daarboven iemand op de zenuwen begonnen te werken.

Gelukkig klaarde het telkens weer op.

En zo eindigde onze eerste proefweek niet met een antwoord, maar met nog meer vragen. Misschien is dat eigenlijk precies zoals het hoort.

Op de laatste middag kregen we bovendien nog een korte kennismaking met het boeddhisme. Een mooie uitsmijter na een week waarin de mens van alle kanten onder de loep was genomen.

‘We zijn geen lotusbloem! We zijn een fluim/ F.Luym’

Daarvoor zijn we Marc en alle deelnemers bijzonder dankbaar.

En zoals Marc het ons deze week zo prachtig voorhield:

“Je bent een wind in die goddelijke frietzak die zijn olfactorische kracht heeft bevroren in signifiants waartussen je telkens wegvalt in het niets dat je bent.”

Tja… daar konden we het mee doen. Een zin om mee naar huis te nemen. Om nog eens op terug te komen. En waarschijnlijk nog een hele tijd niet helemaal te begrijpen.

Deel dit bericht:

Comments are disabled